Teelt van herfstframboos

Er zijn verschillende manieren om herfstframbozen te telen. Om een goede oogst te behalen zijn niet alleen de plantafstanden van belang. Ook het management van het gewas gedurende de teelt speelt een belangrijke rol. Omdat het microklimaat op bedrijven die herfstframbozen telen sterk kan verschillen, kan hier slechts een algemeen beeld worden geschetst. Telers moeten dit zelf verder ontwikkelen voor hun bedrijf door het doen van proefjes.

DOORTEELT

Voor een doorteelt wordt meestal begonnen met plugplanten, waarbij drie planten per strekkende meter worden uitgeplant. Afhankelijk van het ras en het teeltsysteem worden één a twee lage lateralen aangehouden. Deze lateralen en de hoofdscheut worden naar de buitenkanten van de rij geleid en verdeeld over de rij, zodat het blad maximaal licht krijgt. Na de oogst worden deze stengels afgeknipt op twee à drie ogen onder het gedeelte van de stengel dat al gebloeid heeft. De ogen die overblijven moeten geen bloemknoppen zijn, maar in de volgende teelt nieuwe lateralen geven.

Na het planten wordt doorgaans niet getopt om meer stengels te krijgen. Dit wordt alleen in uitzonderlijke omstandigheden toegepast. De rassen van Advanced Berry Breeding hebben doorgaans voldoende groeikracht, waardoor toppen overbodig is. Door toppen neemt het aantal stengels toe en ontstaat snel een vol gewas. De vruchtkwaliteit kan daaronder leiden en de oogst is zo’n twee weken later. Zeker met late rassen kan dat een risico zijn. Als er toch wordt getopt, is het belangrijk om maximaal twee stengels per plant aan te houden en deze goed over de rij te verdelen. Overigens reageren rassen heel verschillend op toppen: sommigen vertonen meer groeikracht, andere juist minder.

Als aan het einde van de oogst de planten niet vanzelf in rust gaan, moeten de bladeren worden verwijderd. Door dit van beneden naar boven te doen worden de knoppen niet beschadigd. Staan de planten in potten dan is het koelen (bij -1oC ) van de planten mogelijk. De rassen van Advanced Berry Breeding hebben op zich geen of zeer weinig koude nodig. Het uitlopen van de ogen gaat echter beter als de planten een korte periode met wat koude hebben gehad.

Als de teelt wordt vervolgd, lopen op de stengel de lateralen uit. Doorgaans wordt met 12 tot 15 lateralen per stengel een goed resultaat behaald. Dit komt neer op 50 tot 60 lateralen per strekkende meter in een rij. Bij meer lateralen wordt het gewas gauw te vol, wat een negatieve invloed heeft op de vruchtkwaliteit en de pluksnelheid. Het optimale aantal lateralen is echter wel afhankelijk van het ras, het klimaat en het teeltsysteem. Telers moeten zelf vaststellen welk aantal op hun bedrijf het meest geschikt is. Als er teveel lateralen zijn, worden ze uitgedund. Daarbij worden lateralen in het midden van de rij, lateralen die sterk in de schaduw zitten alsmede de zwakke lateralen als eerste weggenomen.

MOW_DOWN

Als de vruchten van de lateralen zijn geoogst, kan men besluiten de plant bij de grond af te knippen (mow-down). Na zo’n mow-down komen veel scheuten op. In een aantal stappen wordt dan het aantal gereduceerd, waarbij de sterke scheuten worden aangehouden en de zwakkere verwijderd. In principe wordt uiteindelijk het aantal stengels aangehouden dat voor het ras wordt geadviseerd. Houdt daarbij echter wel rekening met de lokale omstandigheden. Als de groei van de planten echter doorgaans beperkt is, moeten er meer stengels worden aangehouden. Het optimale aantal kan voor elke teler en in elk microklimaat anders zijn, en moet door de telers zelf door het doen van proefjes vastgesteld worden.

Als er geen mow-down wordt toegepast, kan er verder worden gegaan met nieuwe scheuten die zich tijdens de laatste oogst laten zien. Ook nu moet een aantal van deze scheuten worden verwijderd, zodat de teelt wordt voortgezet met het gewenste aantal stengels. Bovendien moet de oude stengel worden verwijderd.

Het kan overigens ook de keuze zijn om geen mow-down toe te passen, maar de oude planten te verwijderen en nieuwe te planten. Vanwege de kosten voor de snoeiarbeid is dit voor een groeiend aantal telers een aantrekkelijke optie.

PLANTEN IN RUST

De doorteelt kan natuurlijk ook worden gestart men een wortelkluit of een gekoelde plugplant of trayplant. Deze planten zijn in rust. Na het planten reageert zo’n plant door het maken van nieuwe scheuten uit de wortel. Dit aantal moet worden terug gebracht tot het gewenste aantal, waarna de teelt als met een verse plugplant vervolgd kan worden.

GEKOELDE PLANTEN

Men kan fruit produceren buiten de normaal te verwachten oogstperiode door gekoelde planten te gebruiken. Omdat het aanbod van fruit in die periode vaak wat minder is, kan een betere prijs uit de markt worden verkregen. Voor deze teelt gebruik men altijd een plant die in een pot is geteeld. Men kan gebruik maken van de nog aanwezige stengel (long canes) of alleen van het wortelblok.

In Noordwest-Europa worden long canes doorgaans geplant tussen half april en eind mei. Het is dan niet alleen mogelijk om de oogst in een gewenste periode te plannen. Als een aantal van dergelijke teelten periodiek na elkaar worden geplant, wordt ook een meer continue aanbod van frambozen over een langere periode bereikt. In Zuid-Europa worden long canes vooral voor een productie vroeg in het voorjaar ingezet. Een goede long cane heeft tenminste 15 tot 20 ogen. De geadviseerde plantafstand verschilt per ras. Net als in de doorteelt moeten er per strekkende meter 50 tot 60 productieve lateralen zijn om een goede opbrengst te halen.

In Zuid-Europa kan een oogst in de winter (januari tot maart) worden gerealiseerd door te starten met alleen een gekoeld wortelblok. Doorgaans wordt er dan begin september geplant. De precieze plantdatum wordt echter sterk bepaald door de vroegheid en de groeikracht van het ras. In deze teelt moet de plant in winterse lichtarme en koele omstandigheden niet in rust gaan, maar juist blijven doorgroeien en bloeien. Sommige rassen, zoals Imara, zijn daarvoor beter geschikt dan andere. Als na het planten de scheuten opkomen, moet het aantal daarvan worden gereduceerd tot het aantal dat voor het ras wordt geadviseerd in een teelt met plugplanten.

ONDERSTEUNING

De planten van de ABB-rassen zijn stevig en vragen weinig steun. De planten kunnen aan enkele horizontale draden worden vastgezet. Ook voor de ondersteuning van de lateralen zijn enkele draden voldoende. Doordat er geen gebruik gemaakt wordt van netten verloopt de oogst veel vlotter, wat de productiekosten aanmerkelijk verlaagd.

Klik hier voor de pdf:
Frambozen 2.0 Stuur je gewas